Kijk Uit in 1904

DE LIGGENDE DENNEN.

In het uitgestrekte duinenlandschap van Castricum is een aardig plekje, dat nog zeer weinig is bezocht; zelfs door Castricummers. Toch is het wel de moeite waard, de dennen, die daar in grillige vormen over den grond kronkelen, eens te gaan zien. Moeilijk zijn ze niet te vinden. Men wandelt naar „Kijk uit”, de woning van een opzichter. Van het station Castricum is de wandeling plm. 10 min.

Bij bedoelde woning slaat men de laan in langs het jachthuis. De eerste zijweg rechts, een mooi, afwisselend duinpad, brengt u ongemerkt bij het doel van den tocht. Aan den linkerkant heeft men eerst een aardappelakker; waar aan dezelfde zijde een aardig boschje begint, heeft men een prachtig vergezicht op den Papenberg, het hoogste duin van Castricum. Rechts wordt het terrein open. Nog enkele minuten en ook links wijkt het bosch terug.

Kijk nu over een alledaagschen distelakker en — ge ziet ze liggen, de vreemde dennen. Men gunt zich geen tijd het gevaarlijke terrein om te loopen, men gaat er regelrecht doorheen en staat vol bewondering bij het vreemde schouwspel. Daar liggen ze in hun zonderlinge kronkelingen als een paar slapende reuzenslangen. Bij een nauwkeurige beschouwing blijkt de benaming „liggendedennen” aan het minimum van meervoud te voldoen; er zijn er twee. Maar op een afstand lijken er meer. Bezie, lezer, de tweede schets (die ik geen aanspraak op volledigheid laat maken). Op den voorgrond ligt de grootste en minst vergane van de twee. Bij A. „staat” de den in den bodem. Volg nu den grilligen loop van stam en takken; me dunkt, dat we hier met een buitengewone misvorming te doen hebben. Jammer, dat een ruwe menschenhand bij B het verdere gedeelte heeft afgezaagd. Het schijnt me toe zonder reden gebeurd te zijn — het stuk ligt er gedeeltilijk nog bij. Het eerste schetsje laat in hoofdtrekken het geheel van dezen den zien, zooals het vóór 1903 was.

Daar oude Castricummers hem nog groen gekend hebben in zijn liggende houding, moet men wel aannemen, dat hij op jeugdigen leeftijd is omgewaaid. Hij ligt ook in de richting van den heerschenden zeewind. Maar de zonderlinge bochten zijn niet aldus verklaard. Het derde schetsje toch geeft een paar dennen in de nabijheid, die in dezelfde richting naar den bodem neigen, maar, die eenmaal „liggende dennen” geworden, stellig die buitengewone afwijkingen niet zullen vertoonen.

Ik meende in Craandijk’s „Wandelingen door Nederland” (deel N. Holland), een schetsje en een beschrijving te vinden der „liggende dennen”. Maar Cr. noemt Castricum nauwelijk op en heeft stellig deze belangrijkheid niet gezien. Trouwens de dennen van Castricum zijn weinig bezocht; en zoo zijn wellichtdedennen gevonden, toen ze nog wel leefden, maar reeds geheel hun vreemde houding hadden.

Al zijn de dennen ook gedeeltelijk vernield, toch is het duinplekje altijd een bezoek waard. En nog vele jaren kan dat zoo zijn, want nog lang zijn ze niet vermolmd. Kan dat zoo zijn? Wie zegt toch, dat ze voor ruwe menschenhanden daar veilig liggen. Zoo dicht bij is men thans aan het kappen. En ’t zou niet onmogelijk zijn, dat men bij deze gelegenheid dat „dooie rommeltje” maar eens „opruimde”, ’t Zou jammer wezen.

Bron: De Levende Natuur (uit 1904), M. Kramer te Amsterdam